|

Tibet
is een voormalig zelfstandig
land met historisch een eigen
volk, cultuur en taal dat zich
uitstrekt over het Tibetaans
Hoogland. Heden ten dage valt
het als een regio binnen de
Volksrepubliek China. De regio
is verdeeld over een aantal
verschillende Chinese provincies.
Tibet grenst in het zuiden aan
de Indiase deelstaten Jammu en
Kasjmir en Himachal Pradesh,
Nepal, Sikkim, Bhutan, de
Indiase deelstaat Arunachal
Pradesh en Noord-Birma, in het
noorden aan Turkestan en in het
oosten aan de Chinese provincies
Gansu, Sichuan en Yunnan.
Sommige delen van Nepal en het
Indiase gebied Ladakh worden
soms cultureel als een deel van
Tibet beschouwd.
Tot 1950, toen het
Volksbevrijdingsleger Tibet
binnenviel, was Tibet een
onafhankelijk land, met een
theocratische regering. In de
uithoeken van Tibet was de macht
in handen van lokale strijdheren.
Sinds 1950 wordt het gebied tot
het land China gerekend door
China, vaak spreekt men van een
bezetting van Tibet. De hoogste
religieuze en politieke leider
in het Tibet van voor de
bezetting, de Dalai Lama,
vluchtte na eerst een aantal
jaren met de Chinezen te hebben
samengewerkt in 1957 naar India,
waar hij sindsdien een regering
in ballingschap leidt.
Tibet is zeer hooggelegen: het
zuiden van Tibet ligt in de
Himalaya, de rest in het
Tibetaans Hoogland. Het wordt
traditioneel opgedeeld in de
regio’s Kham (oosten), Amdo (noorden),
(centraal), Ngari (westen) en
Tsang (zuiden). De hoofdstad is
Lhasa, waar zich ook de (voormalige)
residentie (het Potala-Paleis)
van de Dalai Lama bevindt.
Andere steden zijn Shigatse,
Chamdo en Nagqu.
De fysiek van Tibetanen is
aangepast aan het leven op grote
hoogten, waar zij geen problemen
van ondervinden. Niet-Tibetanen
daarentegen hebben vaak moeite
met de grote hoogte van Tibet.
In Tibet wordt door het grootste
deel van de bevolking de lokale
stroming van het boeddhisme
aangehangen: het Tibetaans
boeddhisme (ook wel Lamaisme en
Tantrisme genoemd), waarin zowel
het Mahayana- als het
Vajrayana-boeddhisme beoefend
worden. Sinds de inval van de
Chinese Communistische Partij is
het boeddhisme onderdrukt en
zijn er monniken gedood,
gemarteld of gevlucht. De meeste
slachtoffers zijn rond de
opstand in 1959 en de jaren erna
gevallen.

Jokhang Temple
De geschiedenis van Tibet begint
bij Nyatri Tsanpo, de koning van
Tubo, rond 127 v.Chr., maar er
zijn weinig historische feiten
bekend van de vroegste historie.
Waarschijnlijk reikte de macht
van de eerste Tibetaanse
koningen niet verder dan de
Yarlung-vallei. In de tijd van
de 28e koning (in de 5e eeuw)
zou het Boeddhisme voor het
eerst Tibet hebben bereikt.
In de 6e eeuw hadden de heersers
van Yarlung hun rijk zo ver
uitgebreid dat het grootste deel
van Centraal Tibet onder hun
heerschappij viel. Er werd bij
Taktse een kasteel gesticht en
Zingporje leidde een rebellie
tegen het Zhang-zhung rijk. Zijn
zoon, Namri Songsten (570 – 619)
werd in 601 de 32e koning van
Tibet en in 608 of 609 werd een
ambassadeur in China
geinstalleerd. Tijdens het
bewind van Songtsen Gampo
(630-649) groeide Tibet uit tot
een groot rijk dat zich
uitstrekte tot Turkestan in het
westen, Nepal in het zuiden,
Amdo en Kham in het oosten, en
Tarim in het noorden. In 763
worden door koning Trisong
Detsen (755 – 797) grote
gedeeltes van China veroverd.
Aan het einde van Trisong
Detsens regering strekte Tibet
zich uit over het tegenwoordige
Turkestan, Noord-Pakistan, Nepal
en delen van Noord India en
China. Trisong Detsen nodigde de
Indiase Boeddhist Padmasambhava
uit naar Tibet te komen om het
Boeddhisme te verspreiden. In
deze tijd wordt het eerste
Boeddhistische klooster in Tibet
gebouwd, bij Samye, waar
monniken religieuze geschriften
naar het Tibetaans begonnen te
vertalen. Er was aanvankelijk
veel weerstand tegen de (uit
India afkomstige) Boeddhistische
zendelingen onder de Tibetaanse
bevolking. De dynastie van de
koningen van Tibet eindigt bij
Langdharma, de 42e koning, in
842. Langdharma probeerde de
opkomst van het Boeddhisme tegen
te gaan maar werd vermoord door
een vermomde monnik.

Na
842 wordt de macht in Tibet
verdeeld onder lokale heersers.
De provincies Amdo en Kham
zouden tot 1950 grotendeels
buiten de invloed van de
heersers in Lhasa blijven. De
veroveringen in Centraal Azie en
China gingen verloren. Het
Boeddhisme begon vanaf de 10e
eeuw echter aan een opmars, in
tegenstelling tot India, Nepal
en China, waar het vanaf die
tijd juist in invloed afnam. Zo
groeide Tibet uit tot het
belangrijkste Boeddhistische
land ter wereld. Belangrijke
kloosters zoals Reting werden in
die tijd gebouwd. Er was in die
tijd levendige handel met de
Indiase koninkrijken, maar met
China werd het contact verbroken.
Tibet onder het Mongoolse Rijk
(1239 – 1358)
Vanaf 1239 verovert de Mongoolse
leider Godan Khan gedeeltes van
Tibet. Hoewel de Mongolen zich
eerst voornamelijk met plunderen
bezighielden, raakte de Khan
later onder de indruk van de
Sakya's. De Sakya's heersen
vanaf 1260 als vazallen van de
Khan over Centraal Tibet. Kublai
Khan veroverde in 1279 Noord-China,
waarna hij zich als de eerste
Yuan-keizer van China
installeert. Na de val van de
Mongoolse keizers krijgen zowel
China als Tibet hun
onafhankelijkheid terug.
Tibet van de Dalai Lama's (1358
– 1720)
Hoewel de Yuan-dynastie in China
in 1368 ophield te bestaan, had
in Tibet een lokale heerser,
Changchub Gyaltsen, tien jaar
eerder al de Sakya’s verjaagd.
Changchub Gyaltsen werd de
eerste nieuwe koning van Tibet.
Zijn opvolgers hadden te maken
met een nieuwe religieuze macht,
de Gelugpa-orde, die rond 1380
gesticht was door Tsongkhapa.
Tsongkhapa’s opvolgers (reincarnaties)
worden de Dalai Lama’s genoemd.
Vanaf het midden van de 16e eeuw
wordt de groeiende Gelugpa-school
ook een politieke factor, als ze
een bondgenootschap met de
Mongoolse leider Altyn Khan
sluiten. Gesteund door de
Mongolen lukt het de vijfde
Dalai Lama, Lozang Gyatso in
1640 een einde te maken aan de
heersers van Tsang. In
tegenstelling tot de tijd van de
Yuan, hoefden de Dalai Lama’s
als tegenprestatie voor de
militaire steun niet aan het
Mongoolse hof te verblijven,
zodat ze vanuit Lhasa Tibet
konden besturen. Naast de
Mongolen probeerden in deze tijd
ook de Chinezen door patronage
van religieuze leiders invloed
op Tibet uit te oefenen. In 1407
reist de Karmapa Lama op
uitnodiging van de Ming-keizer
naar Peking.
In 1647 veroverde Lozang Gyatso
Centraal Tibet en werd de
onbetwiste heerser over Tibet.
Toen hij in 1682 stierf wisten
zijn persoonlijke adviseurs zijn
dood vijftien jaar geheim te
houden. Toen het geheim uitlekte
moest een nieuwe Dalai Lama
worden gevonden. De zesde Dalai
Lama had echter meer aandacht
voor vrouwen en drank dan voor
regeringszaken. Een Mongoolse
heerser, Lhabzang Khan, maakte
hier gebruik van door met de
Chinese Mantsjoekeizer Kangxi
samen te zweren om Lhasa aan te
vallen. De Dalai Lama werd
gevangen genomen en stierf onder
verdachte omstandigheden. Een
nieuwe Dalai Lama werd als vazal
van Lhabzang Khan aangesteld.
Onder de Tibetanen en Mongolen,
die de Dalai Lama als hun
spirituele leider zagen, zette
dit veel kwaad bloed. In 1717
veroverde ??n zo’n Mongoolse
stam, de Djoengaren, Tibet. Ze
zetten de nieuwe Dalai Lama af
en doodden Lhabzang Khan. Keizer
Kangxi maakte gebruik van de
verwarring door in 1720 zijn
leger op Lhasa af te sturen. De
Chinezen brachten de gevluchte
zevende Dalai Lama met zich mee
en werden door de bevolking
binnengehaald als bevrijders.
Tibet onder de Mantsjoe (1720 –
1911)
De Mantsjoe stelden twee
vertegenwoordigers, zogenaamde
ambans, aan in Lhasa. Alle
politieke beslissingen in Tibet
moesten voortaan door hen worden
goedgekeurd. Ook beslisten de
Mantsjoes voortaan over de
opvolging van de Dalai Lama. Als
de Dalai Lama stierf moest een
pasgeborene als opvolger
gevonden worden. Daarom werd ook
een regent aangesteld zolang de
Dalai Lama minderjarig was.
Omdat de regenten liever zelf de
macht hielden werden de Dalai
Lama’s tijdens de
Mantsjoeperiode meestal vermoord
voordat ze volwassen werden.
De Tibetanen kwamen in 1727
tegen de Chinese bezetting in
opstand maar dit werd door
Mantsjoes bloederig onderdrukt.
In 1759 werden de ambans tijdens
een rebellie vermoord. De
Mantsjoes heroverden Lhasa en er
werd een permanent leger van
2.000 man geinstalleerd om een
nieuwe opstand te voorkomen. Na
1800 verzwakte het Chinese
keizerrijk van de Mantsjoes
dusdanig dat Tibet zich weer
enigszins los van China kon
bewegen. In deze periode kreeg
de regent van Tibet meer
politieke macht in handen en de
regenten bleven tot Thubten
Gyatso, de 13e Dalai Lama, aan
de macht. Deze 13e Dalai Lama
begon vanaf 1895 een pro-Russische
en anti-Britse politiek in de
hoop op deze manier los van
China te komen. Om hun belangen
in India te verdedigen, namen de
Britten onder leiding van
Francis Edward Younghusband, in
een poging de Dalai Lama
gevangen te nemen, op 3 augustus
1904 Lhasa in. De opzet mislukte
omdat de Dalai Lama naar Urga,
het huidige Ulaanbaatar, was
gevlucht.
in
afwezigheid van de Dalai Lama
sloot Groot-Brittannie met de
Tibetaanse regent op 7 september
1904 een verdrag waarbij enige
handelsvoorrechten bedongen
werden. In feite was dit een
verdrag als tussen twee
onafhankelijke staten, waar de
Chinezen natuurlijk tegen
protesteerden. De Russen werden
in de Russisch-Japanse Oorlog
(1903–1905) uitgeschakeld als
belangrijke mogendheid in
Oost-Azie, zodat Tibet zijn
strategische waarde voor de
Britten verloor. In 1906 werd
daarom met een Brits-Russisch-Chinees
verdrag China als suzerein over
het protectoraat Tibet erkend,
waarmee een einde kwam aan zowel
Britse als Russische pogingen
invloed op Tibet te krijgen. De
Chinezen zetten de Dalai Lama af,
maar kort daarop werd de Chinese
keizer vermoord. De Dalai Lama
maakte gebruik van de verwarring
door naar Lhasa terug te keren.
Kort hierop (in 1910) zonden de
Chinezen een strafexpeditie naar
Lhasa, en hij moest naar India
vluchten. Toen de Qing-dynastie
echter in de Nationalistische
revolutie van 1911 uiteindelijk
viel, verklaarden Tibet en
Mongolie zich middels het
Verdrag van Urga onafhankelijk
van China. Eind 1912 verlieten
de laatste Mantsjoetroepen
Tibet.
Periode van onafhankelijkheid
(1911 – 1950)
De nieuwe Chinese regering zond
onmiddellijk een bericht aan de
Dalai Lama, waarin ze haar
verontschuldigingen aanbood voor
de onder de Mantsjoe begane
wreedheden, en de Dalai Lama
erkende als religieus leider van
Tibet. De Dalai Lama antwoordde
met de mededeling dat hij niet
geinteresseerd was in door de
Chinezen erkende functies. De
Britten probeerden nog tot een
vergelijk te komen tijdens een
congres in Shimla in 1914, maar
de Chinezen wilden geen verdrag
tekenen dat hen niet erkende als
heersers in Tibet. De Chinese
invloed was tot 1950 echter
nihil in Tibet, in deze periode
was Tibet de facto een
onafhankelijke theocratie,
waarin de Dalai Lama zowel
politiek als geestelijk de
hoogste autoriteit was. De
kloosters in Tibet bleven
sociale centra van lering en
studie en praktijk. Deze
kloosters bleven vaak ook
grootgrondbezitters. Vanaf 1900
kwamen er verschillende
buitenlanders naar Tibet, wat
een (langzaam) proces van
sociale en technologische
vernieuwing op gang bracht. Zo
werd het Tibetaanse leger door
de Britten in India opgeleid en
werden modernere wapens
aangeschaft. Ook kwam men in
aanraking met Westerse
uitvindingen als
grammofoonplaten, telegraaf en
postzegels.
In 1933 overleed de 13e Dalai
Lama, waarna de huidige Dalai
Lama, Tenzin Gyatso,
geinstalleerd werd. Tot zijn
achttiende zou een regent echter
de macht in handen hebben. In
1949 kwamen in China echter de
communisten van Mao Zedong aan
de macht.
Inval, bezetting en
onderdrukking (1950 - 1976)
Een jaar later, in oktober 1950,
viel het Chinese Rode Leger
Tibet binnen. Het kleine en
slecht bewapende Tibetaanse
leger kon weinig weerstand
bieden. De reactie van de
Tibetaanse regering was alle
macht aan de pas 15 jaar oude
Dalai Lama te geven. Er ging een
oproep naar de Verenigde Naties,
maar de meeste landen wilden
China niet dwars zitten dus een
veroordeling bleef uit. De Dalai
Lama zond afgevaardigden naar
Peking, die gedwongen waren een
overeenkomst voor de
“bevrijding” van Tibet te
tekenen. Op 23 mei 1951 werd in
Peking besloten dat Tibet
voortaan integraal deel zou
uitmaken van China. De Dalai
Lama werd een vazal van de
Chinese regering.
De voornaamste reden voor de
inval was volgens China dat ze
de situatie van voor 1911 wilde
herstellen. Ook de 'bevrijding'
van het Tibetaanse volk van hun
slaafdom aan de heersende klasse
(landeigenaren en kloosters)
wordt door de Volksrepubliek
China aangehaald als een reden
voor China om Tibet binnen te
vallen. Waarschijnlijk heeft de
Koude Oorlog (1947 - 1991) ook
invloed gehad op de beslissing
Tibet binnen te vallen. Een
aantal maanden eerder, (juni
1950) was de Koreaanse oorlog
uitgebroken. Een deel van de
Amerikaanse strategie tijdens de
Koude Oorlog, bestond er uit om
troepen in grenslanden van
communistische staten te
stationeren. Als dit ook in
Tibet zou gebeuren, zou er voor
China en de Sovjet-Unie een
onacceptabele situatie zijn
ontstaan.
In
1956 brak een opstand uit in het
oosten van Tibet, in de
provincie (Kham). In de jaren
daarna breidde de opstand zich
uit tot in Centraal Tibet.
Tijdens het Tibetaanse nieuwjaar
in 1959 hadden de Chinezen de
Dalai Lama opgedragen een
dansvoorstelling bij te wonen,
maar eisten dat hij aanwezig zou
zijn zonder zijn gebruikelijke
lijfwacht. Toen dit onder de
bevolking bekend raakte, braken
rellen uit. Tibetaanse soldaten
uit het Rode Leger liepen over
naar de demonstranten en deelden
wapens uit aan de bevolking. Het
paleis van de Dalai Lama werd
omsingeld door demonstranten die
hem wilden beschermen tegen de
Chinezen. Terwijl Tibetanen en
het Rode Leger elkaar in de
straten van Lhasa te lijf gingen,
vluchtte de Dalai Lama echter in
het geheim naar India; kort voor
het passeren van de grens
verklaarde de Dalai Lama de
overeenkomsten met China
ongeldig.
De opstand werd hierna met harde
hand door de Chinezen onderdrukt,
waarbij alleen al in de regio
Lhasa 87.000 mensen gedood
werden. Na drie dagen van
beschietingen met zware
artillerie waren de straten van
Lhasa bezaaid met lijken. Vele
dorpen en kloosters werden door
de Chinezen platgebrand en er
vonden honderden
standrechtelijke executies
plaats.
De Chinezen ontbonden vervolgens
de Tibetaanse regering. De
militaire aanwezigheid werd
opgevoerd en de bevolking werd
te werk gesteld. Het Chinese
leger voerde tot in de jaren 70
strijd met de Tibetaanse
rebellen, die guerrillatactieken
toepasten en geholpen werden
door de CIA. Het Tibetaans
boeddhisme wordt tot op heden
onderdrukt. Boeddhistische
kloosters werden in de loop der
tijd door Chinese soldaten
aangevallen, geplunderd en
vernietigd.
Erger nog was dat de Chinezen
geboden de Tibetaanse boeren
voortaan in collectieven te
werken. In plaats van de
traditionele gerst moesten tarwe
en rijst worden verbouwd. Het
Tibetaanse klimaat is daar niet
geschikt voor en al snel braken
er hongersnoden uit.
In 1965 werd Tibet opgesplitst
in de tegenwoordige bestuurlijke
indeling. Het midden, zuiden en
westen vallen nu onder de
Autonome Regio Tibet, het
noorden onder de nieuw bedachte
provincie Qinghai, en het oosten
werd verdeeld over de provincies
Sichuan en Yunnan. Deze opdeling
heeft ervoor gezorgd dat
tweederde van de Tibetanen in
China buiten de Autonome Regio
wonen. Dat deze provincies tot
1950 deel uitmaakten van Tibet,
wordt door de Chinezen nu echter
officieel ontkend.
Van 1966 tot 1976 werd met de
Culturele Revolutie wat nog over
was van Tibets cultuurschatten
vernietigd. Hoewel overal binnen
de Volksrepubliek China
vernietiging plaatsvond, wordt
gedacht dat de vernietiging in
Tibet het grootst was. Vele
monniken en nonnen vonden de
dood en werden langdurig
gemarteld of gedwongen tot
seksuele relaties met elkaar.
Kloosters werden met de grond
gelijk gemaakt. Eeuwenoude
Boeddhistische geschriften
werden verbrand of als
toiletpapier gebruikt. Het
grootste deel van Tibets
culturele erfgoed is zo verloren
gegaan.
Vele Tibetanen en bijna alle
lama's (leraren) zijn naar het
buitenland gevlucht en zijn een
nieuw leven in het buitenland
begonnen. Dit is een belangrijke
factor geweest in de groeiende
populariteit van het Tibetaans
boeddhisme in het westen. De 10e
Panchen Lama, oorspronkelijk op
de handen van de Chinezen,
protesteerde in 1961 tegen de
harde behandeling van de
Tibetanen. De Chinezen
reageerden door hem in
gevangenschap te nemen.

Jokhang Temple
Bezetting na Mao (vanaf 1976)
Na Mao’s dood in 1976 werden
mondjesmaat de Tibetaanse
gebruiken weer toegestaan, en
kwam er een beetje meer vrijheid.
In 1977 werden de gevluchte
Tibetanen en de Dalai Lama door
de Chinezen uitgenodigd terug te
keren naar Tibet. De Dalai Lama
zond een afvaardiging om de
stand van zaken te bekijken. Het
rapport dat opgesteld werd was
zo negatief over de situatie in
Tibet, dat men besloot het niet
te publiceren, om de jonge
onderhandelingen met de Chinese
regering niet te dwarsbomen. Er
stond onder andere in dat tussen
1949 en 1979 meer dan 1,2
miljoen Tibetanen de dood vonden
als direct gevolg van Chinees
handelen. Meer dan 6000
kloosters waren vernietigd, twee
derde van Tibet was door de
nieuwe bestuurlijke indeling bij
China ingelijfd, 100.000
Tibetanen bevonden zich in
werkkampen waar ze dwangarbeid
voor de Chinezen verrichtten, en
veel van Tibets natuurlijke
bossen waren gekapt. Door
sommigen worden deze aantallen
te hoog genoemd. Volgens de
officiele census waren er in de
Volksrepubliek China in 1953 2,8
miljoen en in 1964 nog 2,5
miljoen Tibetanen. De Chinese
census wordt echter verre van
betrouwbaar geacht. Het Tibet-beleid
van de Chinese overheid is door
onder meer de Verenigde Naties,
de Europese Unie, de Verenigde
Staten en
mensenrechtenorganisaties
herhaaldelijk veroordeeld.
Desondanks bleven de Chinese
regering en de Tibetaanse
regering in ballingschap
gedurende de jaren 70 met elkaar
in gesprek. De Chinese regering
deed ondertussen zijn best de
situatie in Tibet te verbeteren.
Zo werden het Potala en het
Jokhang af en toe geopend voor
bezoekers. Op kleine schaal werd
het uitoefenen van de eigen
religie weer getolereerd. De
belastingen in Tibet werden
omlaag bijgesteld en het werd,
net als in de rest van China,
beperkt mogelijk een eigen
bedrijf op te zetten. Een aantal
geroofde kunstvoorwerpen werd
teruggegeven aan de betreffende
kloosters.
In 1983 strandden de gesprekken
tussen de Chinezen en de
regering in ballingschap. De
Dalai Lama zou als hij
terugkeerde naar Tibet onder
huisarrest in Beijing worden
geplaatst, wat hij niet wilde.
Daarna richtte de Chinese
politiek zich op het zoveel
mogelijk inlijven van Tibet bij
China. Hierbij hoort ook het
verspreiden van propaganda om
zowel Chinezen als Tibetanen te
overtuigen dat Tibet altijd al
bij China heeft gehoord.
Het meest opvallende aspect van
de Chinese annexatiepolitiek is
het bevorderen van een gestage
instroom van etnische Han-Chinezen
naar Tibet. Voor de Han is het
voordelig te verhuizen vanwege
de lage belastingen. Ook de
strenge eenkindpolitiek die in
de rest van China geldt, geldt
niet in Tibet. Als gevolg van
deze politiek wordt geschat dat
inmiddels de helft van de
bevolking uit Han bestaat,
hoewel de Chinese regering
beweert dat dit slechts 5% is.
Soortgelijke migratiepolitiek
werd en wordt door de Chinese
regering ook toegepast in andere
gebieden met een eigen etnische
bevolkingsgroep, zoals
Binnen-Mongolie, Mantsjoerije en
Turkestan. In deze gebieden
vormt de oorspronkelijke
bevolking inmiddels een
minderheid. Er gaan ook
schokkende geruchten dat
Tibetaanse vrouwen gedwongen
gesteriliseerd zijn.
In 1986 mochten voor het eerst
buitenlandse toeristen in Tibet
komen. Tijdens opstanden in
Lhasa in 1987 en 1988 waren
Westerse toeristen getuige van
het hardhandige optreden van het
leger tegen demonstranten.
Sindsdien probeert de Chinese
regering zoveel mogelijk te
bepalen waar de toeristen mogen
komen en waar niet. Dat dit niet
altijd lukt, bleek in 2006 weer,
toen een aantal bergklimmers
getuige waren hoe soldaten een
groep Tibetanen die naar India
probeerde te vluchten doodschoot.
Ondertussen was de Dalai Lama
uitgegroeid tot een
internationaal bekende figuur.
Vanuit Dharamsala in India leidt
hij de Tibetaanse regering in
ballingschap. Hij blijft
proberen de aandacht te vestigen
op de situatie van zijn volk. De
Dalai Lama heeft tijdens zijn
ballingschap in India altijd het
gebruik van geweld door de
Tibetanen afgezworen en kreeg
mede hierdoor in 1989 de
Nobelprijs voor de Vrede.
China gaat door met het doen van
grote investeringen en het
zenden van Han-Chinezen naar de
Autonome Regio Tibet. Op 1 juli
2006 werd de Peking-Lhasa-spoorweg
in gebruik genomen waardoor het
reizen van en naar Tibet een
stuk eenvoudiger werd. Het
overgrote deel van de ter
beschikking gestelde
overheidsgelden wordt ingezet
ten behoeve van de belangen van
de Han-Chinezen in Tibet,
waardoor er een verschil
ontstaat tussen de
levensstandaard van de
autochtone Tibetanen en de Han-Chinezen.
Nomadische Tibetanen werd een
bestaan als boer opgelegd. Tibet
bezit veel natuurlijke
grondstoffen, die momenteel
gedolven worden. Er is een hoge
werkloosheid onder de Tibetanen
in de Autonome Regio Tibet.
De Volksrepubliek China claimt
dat Tibet altijd al een deel van
China is geweest. In de
Mantsjoe-periode was Tibet
inderdaad een vazalstaat van de
Chineze keizers. Voorstanders
van een onafhankelijk Tibet
werpen tegen dat de Mantsjoes
geen Chinezen waren (Chinezen
mochten bijvoorbeeld niet
trouwen met Mantsjoes en mochten
zich ook niet vestigen in het
gebied waar de Mantsjoes vandaan
kwamen), waardoor Tibet in feite
geen deel van China zou zijn
geweest. Historici spreken bij
deze periode echter gewoon over
China, en de heersers over het
gebied worden gezien als (de
laatste) keizers van China. Ook
stelt China dat Tibet tijdens de
Ming- en de Yuan-dynastie
feitelijk onderdeel van China is
geweest. Hoewel er sprake was
van Chinese invloed, is dit in
feite onjuist.
In de laatste 10 jaar zijn er
enkele kloosters herbouwd. In
plaats van duizenden monniken
mogen er echter slechts een
klein aantal wonen, die streng
worden gecontroleerd door de
Chinese militairen. De monniken
die er wonen worden in vele
essentiele aspecten van hun
leven beperkt door regels vanuit
Peking. Het is ze bijvoorbeeld
verboden een foto van de Dalai
Lama te bezitten, om te veel met
de buitenlandse toeristen te
praten of om kritiek te uiten op
de bezetting van Tibet door
China of de manier waarop
Tibetanen door China behandeld
worden. Deze grotere vrijheden
op het gebied van godsdienst
zijn de afgelopen decennia niet
alleen in Tibet maar ook in
andere delen van China door de
Chinese regering verleend.

Eind 2004 waren er 150
Tibetaanse politieke gevangenen
in China, waarvan er 100
boeddhistische monniken waren.
Regelmatig sterven er politieke
gevangenen tijdens hun
gevangenschap, en er komen nog
steeds verhalen van marteling
naar buiten. In 1995 werd de
door de Dalai Lama aangewezen
6-jarige Panchen Lama (Gedhun
Choekyi Nyima) samen met zijn
ouders door de Chinese
autoriteiten ontvoerd. In zijn
plaats stelde China door middel
van loting Erdini Qoigyijabu als
nieuwe Panchen Lama aan. Hoewel
de Chinese regering het
omgekeerde wil doen geloven,
erkent de grote meerderheid van
de Tibetanen de Chinese Panchen
Lama niet als geestelijk leider.
De functie van Panchen Lama is
belangrijk omdat hij de nieuwe
Dalai Lama aanwijst. De huidige
Dalai Lama heeft gezegd dat de
volgende Dalai Lama niet in
Tibet geboren zal worden, omdat
dat momenteel geen veilige
plaats voor een Dalai Lama is.
De Dalai Lama streeft
tegenwoordig niet meer naar een
onafhankelijk Tibet, maar naar
een binnen China werkelijk
autonoom Tibet waar de Tibetanen
een goede levenssituatie hebben,
en hun religie vrijelijk kunnen
uitoefenen.
Begin jaren 60 begon China op
een destijds strikt geheime
locatie op het Tibetaans
Hoogland met de ontwikkeling van
kernwapens, waarbij een enorme
milieuvervuiling ontstond en de
gezondheid van Tibetaanse
dwangarbeiders in gevaar kwam.
Ook zou China andere landen
hebben aangeboden in ruil voor
financiele compensatie kernafval
op te slaan in Tibet. Een andere
bedreiging vormen de
uraniummijnen in het gebied.
De term Dalai Lama duidt niet
een enkele persoon aan maar een
lijn van elkaar opvolgende
leiders (tulku). Deze opvolging
gebeurt niet, zoals met de
meeste andere leidersposities,
door vererving of door
verkiezing, maar door
wedergeboorte. Men gelooft dat
elke Dalai Lama de wedergeboorte
van de voorgaande Dalai Lama is.
Om dit te onderzoeken bezoeken
monniken de mogelijke kandidaten;
als gedeeltelijk bewijs geldt
bijvoorbeeld dat het kind
voorwerpen herkent die aan de
voorgaande Dalai Lama hebben
toebehoord. De kandidaat wordt
uiteindelijk door de Panchen
Lama bevestigd. Ook geeft de
Dalai Lama in het leven
voorafgaand aan het volgende,
aanwijzingen, bijvoorbeeld over
zijn toekomstige familie,
geboorteplaats en geboortehuis.
|