|
Buddha
Een ongehoorzaam
prinsenkind verovert Azie
Omstreeks het begin van onze
tijdrekening golfde het boeddhisme van
Centraal-Azie uit naar China toe. Dat
was ten tijde van de Oostelijke Han-dynastie.
De filosofie, die voor honderden
miljoenen een godsdienst werd, had toen
al een lange weg achter de rug.
Het boeddhistisch ideaal van een
persoonlijke verlossing stond haaks op
de beginselen van de confuciaanse ethiek,
die de familie als basis van staat en
samenleving beschouwt. Volgens het
confucianisme moest de keizer de
activiteiten van al zijn onderdanen
leiden, maar de boeddhistische monniken
beschouwden zich als een groep die vrij
en onafhankelijk stond ten overstaan van
de wereldlijke machten. Bovendien had
boeddha, om een ascetisch leven te gaan
leiden, zijn gezin verlaten en dat stond
centraal in de Confuciaanse gedachte.
Reincarnatie
Het boeddhisme bracht ook de boodschap
dat het huidig bestaan bepaald is door
daden en handelingen uit een vroeger
bestaan en de reincarnatie zal
beinvloeden. Dat was in strijd met de
algemene verspreide voorouderverering,
die wil dat de voorouderlijke geest
voortleeft. Het boeddhisme beschouwd ook
buitenlanders als gelijken.
Boeddha. De
man die zo genoemd werd is Siddartha
Gautama Sakyamuni (560 tot 480 voor onze
tijdrekening). Als zoon van een
stamhoofd van de Sakyastam bij Nepal
kreeg hij genoeg van de aristocratische
leefwijze. Als 29-jarige voegde hij zich
bij een groep asceten, die hun heil
zochten in de onthouding.
Na zes jaar zag hij in dat dit de juiste
weg niet was. Na 49 dagen onder een
vijgenboom te hebben gezeten ontving hij
het ware inzicht. Hij sprak zijn eerste
preek in het Hertenpark van Sarnath, bij
Benares (nu Varanasi). "Het wiel van de
wet", zo heette het.
Boeddha is geen naam, het is het woord
voor 'verlichte'. In 1956 werd het
2500ste jaar van zijn heengaan herdacht.
Boeddha's
levensloop is een grote vermenging van
waarheid en legende.
Volgens de overlevering werd hij geboren
uit een ontmoeting die zijn moeder had
met een Witte Olifant. Haar zwangerschap
duurde tien maanden. De bevalling had
plaats toen zij onderweg was naar haar
vader. Dat gebeurde rechtstaande terwijl
zij zich vastklampte aan de takken van
een Salaboom. Boeddha werd geboren uit
haar rechterzijde en op dat ogenblik
vielen er regens uit de hemel. Het was
toen 624 voor onze tijdrekening.
Boeddha stond meteen recht en zette
zeven passen naar het noorden. Daar keek
hij naar de vier windrichtingen en zei:
"Dit is de laatste keer geweest dat ik
geboren werd".
Zijn moeder, Maya, stierf een week later
en de jonge prins werd verder opgevoed
door haar zuster, die later een
vrouwelijk monnik zou worden.
Onmiddellijk na de geboorte liet de
Koning een wijze naar het hof komen om
een horoscoop voor de jonge prins te
maken. Die meldde dat de zoon een grote
koning of een grote geestelijke leider
zou worden. De vader wilde er zeker van
zijn dat de prins een koning zou worden
en zonderde hem af van de buitenwereld.
Hij bouwde drie paleizen voor hem, een
voor het regenseizoen, een voor de zomer
en een voor de winter.
Siddartha was zestien toen hij huwde en
negenentwintig toen zijn zoon geboren
werd, die later als een monnik door het
leven zou stappen. De avond van de
geboorte zou Siddartha zijn gezin
verlaten.
Vooraf had hij tot viermaal toe, zonder
dat zijn vader het wist, met zijn
kamerheer een stapje in de wereld gezet.
De eerste maal ontmoette hij een oude
man. Dat bracht bij hem een schok teweeg.
De kamerheer legde uit dat iedereen oud
wordt. De tweede maal liep Siddartha een
zieke tegen het lijf, de derde maal
botste hij op een begrafenis.
Telkenmale gaf de kamerheer toelichting
over de realiteit van het leven.
Tijdens de vierde vlucht uit
het paleis kwam Siddartha een asceet
tegen, een zwerver die een enorme
gemoedsrust uitstraalde en geen angst.
Die angst had Siddartha wel bevangen na
zijn vorige ontmoetingen. Hij vroeg zich
af waarom een mens zo moet lijden en
pijn hebben tijdens zijn leven. Hij
besluit zijn luxueus leventje vaarwel te
zeggen en bij de asceet in de leer te
gaan.
Die avond rijdt hij met zijn paard tot
de grens van het paleis, geeft paard en
sieraden af aan de kamerheer en snijdt
zijn prachtig gewaad in stukken. Hij
kleedt zich, volgens de legende, in
lijkdoeken en vertrekt.
De asceet is niet bij machte hem een
oplossing voor zijn problemen te geven
en Siddartha gaat zes jaar op zijn
eentje mediteren, op knekelvelden, in
het woud, in regen, koude en warmte. Hij
geraakt uitgeput en uitgemergeld. Zijn
eerste vaststelling was dat hij alleen
stond met zijn probleem, net zoals elke
mens.
En toen gebeurde het. Siddartha
had zich in het Indische Bihar onder een
bodhi-boom (ficus religiosa) genesteld.
Hij naderde het ogenblik van de waarheid,
de verlichting, toen plots de demon Mara
opdook, die hem met alle mogelijke
middelen, tot en met zijn beeldmooie
dochters, in de verleiding en verlokking
wou brengen.
Mara deed ook een storm opsteken om hem
uit zijn meditatie te halen. De prins
werd tegen het onweer beschermd door
Mucilinda, een slang met zeven koppen.
Boeddha wees de aarde als getuige aan,
hij wees met zijn vinger naar beneden.
De aarde trok partij voor boeddha en
beefde hard, bij wijze van protest.
Boeddha leerde, na zijn meditatie, dat
het lijden en de pijn van deze wereld
overwonnen kunnen worden door alle
wereldlijke verlangens te verzaken, want
juist deze verlangens veroorzaken het
lijden.
De toegewijde boeddhist mag hopen dat
hij uiteindelijk het nirvana ('het
verdwijnen van iedere begeerte') bereikt:
een eindfase van geluk of niet zijn,
beperkt tot de toegewijden en pas na
vele levens.
Na zijn meditatie tekende boeddha een
wiel in het zand, het wiel der wet.
Van dan af zou hij rondtrekken om zijn
leer te verkondigen. Hij was 35 jaar oud
en stichtte kloosters tot hij tachtig
was. Toen voelde hij dat hij ging
sterven. Hij legde zich (volgens het
verhaal) onder een Salaboom op zijn zij
en verzonk in meditatie. Alle dieren
omringden hem.
Boeddha had het punt bereikt waar hij
heel zijn leven voor gewerkt had. Hij
ging niet naar een volgend leven, zoals
iedereen, en waarin hij weer zou lijden.
Nee, hij ging naar het nirvana, 'het
niets', waar je niet ongelukkig bent.
De overlevering wil dat hij bewust
stierf ingevolge een
voedselvergiftiging. Hij pleegde geen
zelfmoord 'maar zag af van het leven'.
Na zijn dood werd een wake van zes dagen
gehouden. De zevende dag werd boeddha
gecremeerd en zijn as werd verspreid
over diverse graven. Zo ontstonden de
stoepa's.
Het boeddhisme kent
geen centraal gezag. Het
bezit geen Paus, zoals de christenen.
Boeddha liet overigens geen zogeheten
Bijbel na, maar alleen zijn sermoenen,
de Tripitaka, die later werden
opgetekend.
Zij vormen een drieluik dat bestaat uit
de soetra (de woorden van boeddha), de
sinaja (de leefregels voor de monnik) en
de habidarma (de interpretaties van de
soetra). Alle boeddhistische strekkingen
volgen dit drieluik. Het 'dharma' is de
leer van boeddha.
De boeddhistische leer aanvaardt geen
macht van de priesters, geen noodzaak
van offers aan de goden, geen
discriminatie op grond van kaste of
klasse, beroep of rijkdom. Het is de
morele gedragslijn van de enkeling.
Het boeddhisme had daarom onmiddellijk
succes bij de lagere standen en de
opkomende burgerij.
Boeddha is overigens geen god en het
boeddhisme loochent ook het bestaan van
de goden niet. Het beschouwt hen als een
vorm van leven, zoals de mens, het dier
en de plant.
Het geloof in de reincarnatie of
wedergeboorte ontstond zowat 600 jaar
voor onze tijdrekening en werd door de
boeddhisten overgenomen. Het werd een
kernpunt van het boeddhisme.
Elk leven is een voortdurende strijd op
weg naar de volmaaktheid. Via ethische
voorschriften en meditatie wordt de
begeerte overwonnen en wordt
onwetendheid omgezet in inzicht. Er is
dus geen sprake van rituelen.
Zo komt de boeddhist altijd in een beter
leven terecht. Hij gebruikt daarvoor de
trap. Elk leven is een trap. Dat is het
theravada. Deze langzame weg, die ook
hinajana wordt genoemd, staat in een
schrille tegenstelling met het mahajana,
dat ook toelaat om met de lift naar
boven te gaan, dit wil zeggen dat men
enkele levens kan overslaan om een beter
bestaan te bereiken.
Na zijn wekenlange meditaties was
Boeddha al 35 toen hij de Vier Waarheden
gevonden had. Die
zijn:
Het besef dat het lijden bestaat en
onvermijdelijk is. Ook de vreugde
bestaat, maar zij keert altijd om.
Het besef dat de bron van het lijden
onze verlangens zijn, de illusies en de
onwetendheid.
Het besef dat het lijden kan worden
gestopt door de eliminatie van de
verlangens.
Het besef dat dit mogelijk is door het
bereiken van het Achtvoudige Pad, de
leer van Boeddha.
Het Achtvoudige Pad bestaat
uit:
Juist inzicht en juist besluit.
Juist woord en juiste daad.
Juist leven en juiste streven.
Juiste denken en juiste meditatie.
Aanvankelijk had Boeddha geen aangezicht.
Hij werd voorgesteld met 'het wiel van
de wet' of met voetafdrukken, een lege
troon, of de boom waaronder hij
mediteerde. Een onbekende gaf hem echter
een aangezicht in de eerste eeuw voor
Christus. De Griekse god Apollo stond
hiervoor model, maar hij kreeg enkele
Indiase trekjes, gesloten ogen en.....
de glimlach, die later ook het
boeddhistische Thailand (Siam: het land
van de glimlach) beroemd zou maken.
Bijna iedereen in de
Zuidoost-Aziatische landen is boeddhist.
En velen gaan voor een tijdje naar het
klooster om het leven van een monnik of
een non te leiden. Meestal voor een
zestal maanden.
Mannen, die zulks niet doen, worden wel
eens halve mannen genoemd. Je zou pas
een echte man zijn als je het harde
leven van monnik eventjes gekend hebt.
Een monnik moet al zijn bezittingen
afstaan. Hij heeft alleen maar een
monnikskleed, een bedelnap (een kommetje
waarin hij zijn geld bewaart), een
scheermes, een handdoek, een paraplu en
nog enkele andere kleine spullen. Een
monnik draagt altijd een oranje kleed
dat over de linkerschouder is
vastgeknoopt. Hij is kaalgeschoren en
leeft van bedelarij.
Mensen geven graag geld aan monniken
omdat zij denken dat ze daar in een
volgend leven voor beloond zullen worden.
Een monnik moet heel veel mediteren. Dat
is heel geconcentreerd nadenken, zodat
je vergeet waar je bent, hoe laat het
is, soms zelfs wie je bent. Door te
mediteren kom je tot inzicht, je vindt
antwoorden op belangrijke vragen.
Het boeddhisme leert je hoe je dit
nirvana kan bereiken:
Je moet aangeboren gebreken zoals
begeerte, hebzucht en onwetendheid kwijt
raken en in de plaats juist leven en
handelen. Een boeddhist moet heel goed
zijn, mag geen kwaad spreken of slechte
gevoelens hebben.
Een eeuwige verdoemenis bestaat niet in
het boeddhisme. Zelfs voor de slechtste
mens is de redding nog mogelijk.
Alleen monniken die daar heel hard aan
werken en heel veel mediteren, kunnen
misschien het nirvana bereiken. Alle
andere mensen moeten goed zijn,
bedelende monniken geld geven en boeddha
eren, zodat zij het in een volgend leven
beter hebben. |